De geschiedenis van "The Messiah" van Händel.

          

   

Dit verhaal is een samenvatting en een vertaling uit het Duits van het prachtige verhaal zoals 
Stefan Zweig dat op boeiende en indrukwekkende wijze vertelt in zijn boek:

                           
"Sternstunden der Menschheid".


                       
G.F. Händel (1685 - 1759)

           
        
           

We schrijven het jaar 1737. Het is Goede Vrijdag 13 april. 
Plaats van handeling is het huis van Georg Friedrich Händel, Brookstreet 25 in London, Engeland. 

                                                                                                                                                                                  
Zo juist is Händel rood van woede teruggekeerd van een repetitie. Met een enorme knal heeft hij de voordeur achter zich dichtgeslagen en nu hoort zijn dienaar hem boven rondstampen. Het plafond kreunt het uit. Hij is gelukkig het één en ander gewend. Er gebeurt nog al eens wat in huize Händel. Hier dreunt soms plots het geluid van een cembalo door de nacht, hier hoort men zangeressen gillen en zuchten als Händel ze met zijn toorn bedreigt. De buren van Grosvenorsquare kennen Brookstreet no. 25 als gekkenhuis.

Plots schrikt de bediende op uit zijn gepeins. Er klinkt een enorme doffe dreun, het hele huis beeft. De dienaar springt met twee treden tegelijk de trap op, op weg naar Händels werkkamer. Na een blik op de lege stoel wil hij de slaapkamer in rennen. Maar dan ziet hij hem liggen. Händel ligt bewegingsloos op de bodem, de ogen wijd open, een zacht rochelen komt uit zijn keel. “Hij sterft” denkt de bediende en hij probeert het enorme lichaam op de sofa te tillen. Dit lukt slechts met behulp van het eveneens toegesnelde hulpje van Händel, Christof Schmidt. Terwijl de dienaar Händel met behulp van water probeert bij te brengen, gaat Schmidt ervandoor op zoek naar een dokter.  

Wat een ellende, wat een tragiek. Dit muzikale genie, deze harde werker, deze stier van een kerel, geveld door…, ja door wat eigenlijk. Het lijkt onmogelijk dat dit enorme lichaam dat gebruist heeft van energie en vervuld was met die onverzettelijke geest het nu op gaf. De dienaar huivert van afschuw en ongeloof.

Even later is Schmidt terug met doktor Jenkins. "Hoe oud is hij" vraagt deze, "52" antwoord Schmidt. "Moeilijke leeftijd, kijken wat we kunnen doen". De Arts boort een ader in de arm aan en na deze aderlating schiet er een scheut van verlichting door het enorme lichaam. Händel opent de ogen. Maar het zijn uitgebluste ogen, de glans is eruit verdwenen. Als de arts de arm loslaat valt deze als dood terug. Händel blijkt een hersenbloeding te hebben gehad. De rechterkant is geheel verlamd. "Gaat het weer over"?" Waarschijnlijk niet, tenzij er een wonder gebeurt". "Maar zal hij tenminste nog weer kunnen werken, hij kan niet leven zonder muziek, zonder iets nieuws te scheppen". "Helaas", antwoordde Jenkins op zachte toon, “dat nooit meer”. "De musicus hebben we verloren".

Vier maanden lang leeft Händel zonder kracht, zonder te kunnen lopen, schrijven of zelfs maar praten. Als er vrienden langskomen om iets voor hem te spelen, verschijnt er even weer een gloed in zijn ogen. Maar zodra de laatste noot is uitgeklonken, ligt hij er weer als een lijk bij, hulpeloos als in een onzichtbaar graf.

Ten einde raad stelt de doktor voor Händel naar de geneeskrachtige warmwaterbaden in Aachen te brengen. Net zoals de onzichtbare krachten in de onderaardse diepten van de warmwaterbronnen in Aachen, brandde er in Händel een onzichtbare onvoorstelbare kracht, een wil om te overleven. Deze oerkracht wil leven, wil scheppen. De artsen in Aachen waarschuwen Händel niet langer dan drie uur achtereen in het warme water te blijven, zijn hart zal dat niet vol houden. Tot schrik van diezelfde artsen verblijft Händel dagelijks negen uur in het warme water. En met zij wil groeit in hem de kracht. En na enige weken is hij weer de oude.

Op zijn laatste dag in Aachen, vlak voor zijn terugreis, blijft hij staan voor een kerk. Hoewel hij nooit bijzonder vroom is geweest,  gaat hij naar binnen en gaat hij de trap op naar het orgel. Voorzichtig beroeren zijn vingers de toetsen. Langzamerhand begint hij te spelen, te fantaseren en de muziek bruist uit het orgel. Händel speelt en speelt, hij heeft zijn "spraak" weer gevonden, en hij spreekt met God, met de eeuwigheid en met de mensen die vol verwondering beneden in de kerk zitten te luisteren. Ze horen en ze voelen dat hier iets bijzonders gebeurt. Nu voelt Händel zich pas weer helemaal genezen, hij kan weer spelen, hij kan weer scheppen.

Eenmaal terug in Londen werpt hij zich weer op zijn werk. Opera’s en Oratoria vloeien uit zijn handen. De voorspoed duurt echter niet lang. Er is zwaar weer op til. De dood van de Koningin onderbreekt de uitvoeringen, de oorlog met Spanje breekt uit en een ongekend strenge winter valt over London, zelfs de Themes vriest helemaal dicht. Händel wordt dan ook nog eens ziek. Optredens moeten worden afgezegd en Händels toestand wordt steeds kritischer. De kritiek op hem neemt toe, het publiek keert hem de rug toe en de schulden stijgen hem boven het hoofd. Steeds meer sluit Händel zich af van de buitenwereld, steeds slechter wordt zijn humeur.

In 1740 voelt Händel zich een geslagen man. Hij teert nog op vroegere roem. Af en toe komt er nog iets middelmatigs uit zijn handen, samenraapsels van vroegere werken. Voor het eerst sinds lang voelt de reus zich moe. Waarom vraagt hij zich af heeft God mij toen genezen als het zo af moet lopen. Maandenlang zwerft Händel door London, zijn schuldeisers ontwijkend, de mensen ontwijkend. Hij speelt met de gedachte te vluchten naar Ierland, waar men nog in zijn roem gelooft. Soms ook staat hij op een brug omlaag te staren in het zwarte water van de Themes, misschien moet hij daarin vluchten.

Die zomer is het ontzettend warm. Het is 21 augustus 1741 als Händel na een avondwandeling door greenpark weer thuiskomt. Hij is moe en strompelt de trap op, slapen, slapen, misschien voor eeuwig slapen. Vroeger leverde iedere wandeling wel een nieuwe melodie, een nieuw idee op. Nu was zijn werktafel leeg, de bron was opgedroogd. Er was niets om mee te beginnen, niets om aan verder te werken, niets, niets, niets. Moedeloos wankelt Händel zijn kamer binnen naar zijn lege schrijftafel. Nee, de schrijftafel is niet leeg !! In het schemerlicht is een stuk papier te zien. Händels handen grijpen ernaar, een pakket. Snel verbreekt hij het zegel en vindt allereerst een brief van Jennens de dichter die ook de teksten voor "Saul" en "Israel in Egypte" geschreven had. "Ik stuur U hierbij een nieuwe tekst en hoop dat U zich over de woorden wilt ontfermen met uw onsterfelijke talent".

Händel krimpt ineen. Wil deze Jennens hem sarren, hem zijn onmacht iets te scheppen, nog eens goed inwrijven. De schoft, de schurk. Met een wild gebaar werpt Händel de brief op de grond en stampt er wild op. Boos en met de tranen in zijn ogen blaast Hij het licht uit en laat zich op zijn bed vallen. Hij kan de slaap echter niet vatten, een inwendige geheimzinnige onrust heeft hem in de macht. Hij draait en woelt. Moet hij niet toch maar de nieuwe tekst van Jennens lezen. God heeft al eerder een wonder aan hem verricht. Hij staat op, doet het licht aan en met trillende handen neemt hij het papier op en begint te lezen.

The Messiah staat er op de eerste pagina. Ach, alweer een oratorium, de laatste twee waren mislukt. Onrustig slaat hij de eerste bladzijde om.
De eerste twee woorden raken Händel in de ziel:
Comfort Ye (zijd getroost), alsof God met hem spreekt, hem antwoord geeft. En direct, nauwelijks gelezen, hoort Händel deze woorden als muziek, roepend, ruisend, zingend. Warmte trekt door het enorme lichaam. Hij voelt weer, hij denkt weer in muziek, de scheppende kracht doorspoelt weer zijn geest. Bladzijde naar bladzijde schieten door zijn bevende handen. Heerlijke woorden raken hem diep in zijn ziel. Wonderfull, counselor, the mighty God, dankbaarheid stroomt door Händels ziel. Weg is zijn moeheid, zo’n kracht heeft hij nog nooit gevoeld, Hij hoort de pauken dreunen, het koor bruisen. En dan dat woord, oneindig herhaalbaar, oneindig vaak deelbaar, daar staat het: "Hallelujah". De tranen vullen zijn ogen, hij kan nu niet verder lezen. Hij grijpt een pen en begint te schrijven, noot na noot begint het papier zich te vullen. Hij kan het niet stoppen. Als een zeilschip gegrepen door de storm zo wordt Händel overvallen door een nieuwe scheppingsdrang. De nacht om hem heen is donker maar in Händel stroomt het licht en als in trance werkt Händel door.

Drie weken achtereen werkt hij door. Nauwelijks aanspreekbaar. Als men hem eten brengt, eet hij snel met de linkerhand terwijl de rechter door blijft werken. Af en toe loopt hij zingend de kamer op en neer. Een afwezige, niets ziende blik in zijn ogen. Als men hem aanspreekt, schrikt hij op en geeft dan afwezig een verwarrend antwoord.

Tenslotte na 3 weken, op 14 september, is het werk bijna klaar. Onvoorstelbaar nog steeds, het woord is muziek geworden. Händels tweede wederopstanding is een feit. Voor de tweede keer in zijn leven heeft zijn geest vanuit de onderwereld de hemel teruggevonden. Nu nog het laatste woord. Eén woord ontbreekt nog: Amen. "A - men", hij speelt met dit deze twee klanken, scheidt ze, bewerkt ze, haalt ze steeds weer uit elkaar om ze daarna nieuw en nog gloedvoller weer samen te smelten. Deze eerste vokaal, de galmende A, de oerklank van het begin wordt opgebouwd tot een enorm muzikaal bouwwerk, steeds stijgend, dan weer dalend en tenslotte vereend met machtige orkestrale klanken, alsof de engelen in de hemelen meezingen tot in de eeuwigheid, Amen , Amen, Amen.

Händel staat moeizaam op. De pen valt hem uit de hand, hij weet even niet waar hij is. Een enorme moeheid overvalt hem. Händel valt in een diepe slaap. 17 uur lang slaapt hij. Zijn dienaar en Christof Schmidt proberen hem meerdere malen tevergeefs te wekken. Ze zijn bang dat Händel een nieuwe beroerte heeft gehad. Ze laten weer dokter Jenkins roepen. Maar als deze arriveert, is Händel net weer ontwaakt. Nadat hij de slaap van drie weken heeft ingehaald, eet en drinkt hij nu aan één stuk door. Het grote lichaam moet het tekort, opgelopen na drie weken roofbouw, weer goed maken.

"Wat is er met jou aan de hand " vraagt Jenkins. "Wat voor toverdrank heb jij gedronken. Man, je bruist ja van het leven, wat is er met jou gebeurd"? Händel kijkt hem aan met lachende, fonkelende ogen. Dan loopt hij naar de clavercimbel, strekt de vingers en begint stukken uit de Messiah te spelen. Ogenblikkelijk wordt hij meegesleurd door zijn eigen schepping, hij vergeet plaats en tijd. Hij speelt en zingt. Voor het eerst hoort hij, terwijl hij bij zijn volle bewustzijn is, wat hij in een soort droomtoestand heeft geschapen. Na het laatste Amen staat dr.Jenkins als verdoofd op. "Man zoiets heb ik nog nooit gehoord ". Ook Händel zelf is zichtbaar aangedaan, hij is geschrokken van zoveel genade. Met kleine stem antwoordt hij verlegen: “Ik geloof dat God met mij is geweest”.

Een paar maand later staan er twee goed geklede heren voor een huurhuis in Abbeystreet in Dublin (Ierland), waarin nu een voorname gast uit London verblijft. Men heeft gehoord dat de grote meester het nieuwe oratorium “The Messiah” voor het eerst in Dublin gaat uitvoeren. Men vraagt of de recette van de eerste opvoering voor een goed doel mag worden gebruikt. De gelden van de volgende optredens zijn dan voor de meester zelf. Maar Händel maakt bezwaar, "nee, ik wil nooit geld hebben voor de Messiah, daarvoor sta ik veel te diep in de schuld bij iemand anders. Altijd zal de opbrengst voor een goed doel zijn".

Een week later, op 13 april is het zover. Geruchten doen al dagen de ronde en de hele stad beeft van de spanning en de vreugde, iedereen wil bij de premiere van dit meesterwerk zijn. De dames komen zonder wijde rokken, de heren zonder sabel, zodat er meer mensen in de zaal kunnen. 700 toeschouwers, een nog nooit vertoond aantal, genieten die avond van een fantastische uitvoering. Men beseft, hierin heeft God zelf de hand gehad.

De jaren daarop schept Händel menig kunstwerk. Maar zo langzamerhand vraagt de ouderdom zijn tol. Het begint met verlammingsverschijnselen in de armen, gevolgd door jicht. Daarna, terwijl hij “Jepta” schrijft, laten zijn ogen hem in de steek. Maar hij schrijft onverstoorbaar door. Zoals elke kunstenaar, roemt hij nooit zijn eigen werken. Maar één werk staat bij hem bovenaan, hij hield van zijn “Messiah”.

Jaar na jaar voert hij de Messiah op in London, steeds een uitverkocht huis, steeds 500 pond voor een goed doel.

Op 6 april 1759 is het voor Händel de laatste keer. De zwaar zieke, 74 jarige meester betreedt nog eenmaal in Covent Garden het podium. 
Daar staat hij, de enorme, blinde man temidden van zijn vrienden. Zijn handen geven de maat aan en een trilling gaat door het machtige lichaam als de muziek weerklinkt. Na afloop brengen zijn vrienden hem na huis. Allen voelen ze, dit is het afscheid geweest. 

      
En inderdaad op Goede Vrijdag 13 april, dezelfde dag als waarop in 1737 de beroerte hem trof, sterft Händel. 
Zijn muziek leeft echter nog steeds.